Bosverjonging op de Langenberg: een kwestie van vraat én licht
01-10-2026
Afgelopen zaterdag organiseerde Vereniging Het Ree, afdeling Achterhoek, een uitje naar de Langenberg in Zelhem. Op het programma stond een bezoek aan de exclosures, die mede dankzij de VHR op het terrein zijn geplaatst. Deze afgeschermde proefvlakken laten goed zien welke impact reeënvraat heeft op de bosverjonging.
Het verschil tussen binnen en buiten het raster is meestal veelzeggend: waar reeën niet bij kunnen, schiet de jonge aanwas omhoog, en daarbuiten blijft er weinig van over. De aanwezigen kregen eerst een lezing van bosbouwkundige Gerrit Jan Spek, waarna Henri Bulten hen rondleidde over het terrein.
Gerrit Jan Spek legde uit dat er twee knoppen zijn waarmee je bosverjonging kunt sturen. De eerste knop is wildvraat. Hoe hoger de vraatdruk in een gebied, hoe kleiner de kans dat jonge boompjes kunnen doorgroeien. Ze worden steeds opnieuw afgevreten en blijven hangen in een soort permanente bonsaivorm: klein en vertakt, maar zonder de kans om uit te groeien tot een volwaardige boom. Zo kunnen bomen van tien jaar of ouder blijven steken op minder dan 50 cm hoogte.
De tweede knop is licht. Als het kronendak van het bos zich sluit, bereikt er nauwelijks nog licht de bosbodem. Dan krijgen kiemplanten en jonge boompjes, ook zonder vraatdruk, simpelweg niet genoeg licht om te groeien.
Op verschillende plekken in Nederland, en vooral op de Veluwe, zie je wat deze twee factoren samen doen. Onder het kronendak ontbreekt elke gelaagdheid: geen struiklaag, geen jonge aanwas, geen ondergroei. Het bos ziet er van bovenaf gezond uit, maar is van binnenuit hol. Dat is het gevolg van een verstoord systeem, waarin een hoge wildstand ervoor zorgt dat jonge boompjes structureel geen kans krijgen.
Zonder die nieuwe generatie verdwijnt de gelaagdheid, en daarmee ook een groot deel van de biodiversiteit en veerkracht van het bos. De gevolgen gaan nog verder: doordat deze soorten ontbreken, verzuurt de bodem en gaat de bodemgezondheid achteruit. Zo versterken de effecten van een ongezond bos zichzelf.
Het goede nieuws is dat dit omkeerbaar is. Door de wildstand tijdelijk sterk te verlagen, krijgen jonge boompjes weer de ruimte om door te groeien. Daarnaast is openheid in het bos essentieel, bijvoorbeeld door gerichte dunning. Alleen als er licht op de bodem valt, kunnen de jonge boompjes echt doorgroeien. Door ook gericht de juiste boomsoorten aan te planten, kun je het herstel verder sturen en versnellen.
Is dat proces eenmaal een paar jaar op gang, dan versterkt het zichzelf. Er ontstaat een vitaal, biodivers bos dat niet snel meer stilvalt, de bodem wordt weer gezonder en het geheel raakt weer in balans.
Zowel het bijsturen van de wildstand als dunning zijn ingrijpende maatregelen, die bij het publiek weerstand kunnen oproepen. Juist daarom is het belangrijk om helder uit te leggen waaróm ze nodig zijn en hoe ze werken. Ook is geduld nodig: herstel van een bosecosysteem gaat niet in één jaar. Het kan meerdere jaren duren voordat de effecten echt zichtbaar zijn, maar de exclosures op de Langenberg laten zien dat het resultaat de moeite waard is.